De elektronische studiegids voor het academiejaar 2025 - 2026 is onder voorbehoud.





Databases (2196)

  
Coördinerend verantwoordelijke :Prof. dr. Frank NEVEN 
  
Lid van het onderwijsteam :dr. Brecht VANDEVOORT 
 Mevrouw Liese BEKKERS 
 De heer Olaf VAN BYLEN 


Onderwijstaal : Nederlands


Studiepunten: 6,0
  
Periode: semester 2 (6sp)
  
2de Examenkans1: Ja
  
Eindcijfer2: Numeriek
 
Examencontract: niet mogelijk


 
Volgtijdelijkheid
 
   Geen volgtijdelijkheid

Begincompetenties

Studenten beschikken over een basiskennis van programmeren.



Inhoud

In dit opleidingsonderdeel worden een reeks concepten en technieken behandeld en toegepast die aan de basis liggen van database management:

  • bouwstenen van een databasesysteem;
  • ontwerpen van databasesystemen;
  • basiskennis van het relationele model;
  • relationele algebra;
  • gebruik van SQL om databases te manipuleren en te ondervragen;
  • systeemaspecten van SQL;
  • gebruik van constraints;
  • beperkingen van het relationele model.


Organisatie- / Werkvormen
Organisatievormen  
Hoorcollege  
Responsiecollege  
Zelfstudieopdracht (ZSO)  


Evaluatie

Periode 3    Studiepunten 6,00

Evaluatievorm
Schriftelijke evaluatie tijdens onderwijsperiode20 %
Open vragen
Schriftelijk examen80 %
Gesloten-boek
Open vragen

Tweede examenkans

Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans
Ja
Toelichting evaluatievorm De tweede examenkans bestaat uit een schriftelijk examen op 100% van de punten.
 

Verplichte handboeken (boekhandel)
 

Handboek 1:

Database Systems: The Complete Book, Hector Garcia-Molina, Jeffrey D. Ullman, Jennifer Widom, 2nd Edition, Prentice Hall

ISBN: 9781292024479

 

Verplicht studiemateriaal
 

Studieleidraad



Eindcompetenties
bachelor in de wiskunde
  •  EC 
  • EC 11: De bachelor Wiskunde heeft elementaire kennis verworven in nog een ander wetenschappelijk vakgebied.

 

bachelor in de informatica
  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor beschikt over een breed referentiekader waardoor hij/zij de eigen kennis en vaardigheden van het vakgebied voortdurend kan actualiseren. 

     
  •  DC 
  • De student heeft grondige kennis over belangrijke deelgebieden van de informatica: programmeertalen en -paradigma''s, computerarchitectuur, human computer interaction, data management, algoritmen en datastructuren, software engineering, computernetwerken, logica, theoretische informatica, besturingssystemen en computer graphics.

     
  •  DC 
  • De student kan denken en handelen vanuit de fundamenten van de informatica.

     
  •  DC 
  • De student kan toepassingsgericht denken en handelen in informatica.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica hecht belang aan de technische kwaliteit van het geleverde eindproduct, werkt nauwgezet en systematisch en kan de hieraan verbonden specificaties correct naar software vertalen.

     
  •  DC 
  • De student kan nauwgezet werken aan opdrachten en projecten.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica is zich bewust van de ethisch-maatschappelijke context waarin informatica gebruikt wordt. Hij/zij kan ethische en deontologische problemen herkennen en analyseren, en hiernaar handelen.

     
  •  DC 
  • De student kan maatschappelijke aspecten en uitdagingen gerelateerd aan informatica uitleggen.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica is zich bewust van informatica als wetenschappelijke discipline, toont een kritische ingesteldheid en kan een standpunt innemen en verdedigen op basis van verworven kennis en inzicht.

     
  •  DC 
  • De student kan problemen van matige tot redelijke complexiteit op een wetenschappelijke manier onderzoeken en systematisch aanpakken.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica kan gefundeerd redeneren, abstraheren en formaliseren, gebruik makend van kennis van en inzicht in de wiskundige basis van de informatica.

     
  •  DC 
  • De student kan een correcte logische redenering opbouwen.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica kan het oplossen van problemen algoritmisch benaderen en is vertrouwd met diverse programmeerparadigma's, -technieken en -methoden.

     
  •  DC 
  • De student begrijpt het belang van precieze syntaxis en semantiek van programmeertalen en kent het onderscheid tussen beide.

     
  •  DC 
  • De student kan redeneren over de correctheid van een algoritme.

     
  •  DC 
  • De student kan uitleggen wat een algoritme is en een algoritmische aanpak definiëren voor het oplossen van een probleem.

  •  EC 
  • De afgestudeerde bachelor informatica kan mogelijkheden om een informaticaprobleem op te lossen en de tools die hiervoor beschikbaar zijn, vergelijken en afwegen op hun bruikbaarheid, correctheid en efficiëntie.

     
  •  DC 
  • De student kan oplossingsmogelijkheden voor een probleem beschrijven.

 

  EC = eindcompetenties      DC = deelcompetenties      BC = beoordelingscriteria  
Aangeboden inTolerantie3
1ste bachelorjaar in de informatica J
bachelor in de wiskunde - verbreding informatica J



1   Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2.
2   Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3.
3   Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.