| Studiepunten: 6,0 | | Studiebelastingsuren: 162 | Periode: semester 2 (6sp)  |
| Onderwijstaal: Nederlands | | Examencontract: niet mogelijk |
|
|
Verplichte volgtijdelijkheid op niveau van de opleidingsonderdelen
|
| |
| |
| |
Volgende opleidingsonderdelen dient u ook opgenomen te hebben in uw studieprogramma in een voorgaande onderwijsperiode.
|
| |
|
Ruimtelijke ontwikkeling 1 (3498)
|
6.0 stptn | |
| |
|
Ruimtelijke ontwikkeling 2 (5477)
|
6.0 stptn | |
| |
|
|
|
- De student is vertrouwd met de eigenschappen en bouwstenen van een mental map en kan deze toepassen op een stedelijke omgeving;
- De student kan een (stedelijke) omgeving observeren en interpreteren aan de hand van woonecologische aspecten en de zeven kenmerken van een ruimte/plaats (responsive environments);
- De student kan verstedelijkingsprocessen situeren in hun historisch socio-economische context, het onderliggende ruimtelijke systeem reconstrueren en de structurerende ruimtelijke principes traceren;
- De student is vertrouwd met verschillende stedenbouwkundige modellen en kan de verschillen tussen deze modellen duiden;
- De student is vertrouwd met een historische lagenanalyse en kan deze toepassen.
|
|
|
|
|
Dit opleidingsonderdeel richt zich op de ontwikkeling, het beheer en de kwaliteit van de stedelijke leefomgeving. Het vak behandelt thema’s als stadsontwikkeling, stedelijk management, integraal beleid en het opzetten en uitvoeren van stadsvernieuwingsprojecten. Daarnaast wordt ingegaan op het concept van de Rasterstad als ruimtelijk model, en op de uitdagingen en kansen van de pluriforme, multiculturele stad. Ook komt de rol van publiek-private samenwerking aan bod, evenals het belang van kwaliteitszorg binnen het stedelijk beleid. Hierbij is er specifiek aandacht voor de gezonde straat en voor de beleving van de openbare ruimte: hoe inrichting, groen, mobiliteit, veiligheid en toegankelijkheid bijdragen aan een uitnodigende omgeving waarin mensen willen lopen, fietsen, verblijven en elkaar ontmoeten.
|
|
| Verplichte handboeken (boekhandel) |
| |
Handboek 1:
Met voorbedachten rade: De sluipmoord op de openbare ruimte, Peter Renard, Tom Coppens, Guy Vloebergh, 2022, Uitgeverij Lannoo
ISBN: 9789401476072 |
|
 
|
| Verplicht studiemateriaal |
| |
De slides, studieleidraad en eventuele bijkomende literatuur worden beschikbaar gesteld via Blackboard. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Excursie/veldwerk ✔
|
|
|
|
Hoorcollege ✔
|
|
|
|
Responsiecollege ✔
|
|
|
|
Werkzittingen ✔
|
|
|
|
|
|
|
|
Casestudy ✔
|
|
|
|
Groepswerk ✔
|
|
|
|
Paper ✔
|
|
|
|
Presentatie ✔
|
|
|
|
Semester 2 (6,00sp)
| Evaluatievorm | |
|
| Schriftelijke evaluatie tijdens onderwijsperiode | 70 % |
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | De punten van de opdracht blijven behouden bij de tweede examenkans
indien de student hiervoor een score gelijk aan of hoger dan 10/20 heeft
behaald. |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Andere evaluatievorm tijdens onderwijsperiode | 10 % |
|
| Andere: | Procesevaluatie (individuele evaluatie op basis van individuele procesbeschrijving, evolutie die de student heeft doorgemaakt) |
|
|
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, geen tweede examenkans |
|
|
|
|
|
| Mondeling examen | 20 % |
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | De punten van de presentatie blijven behouden bij de tweede examenkans
indien de student hiervoor een score gelijk aan of hoger dan 10/20 heeft
behaald. |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Gebruik studiemateriaal tijdens evaluatie | ✔ |
|
| Toelichting | De student mag zijn/haar eindrapport en presentatie gebruiken tijdens het mondeling examen. |
|
|
|
| Evaluatievoorwaarden (deelname en/of slagen) | ✔ |
|
| Voorwaarden | 1) Het tijdig inleveren van de groepsopdracht (evaluatie tijdens onderwijsperiode) is verplicht om een eindcijfer te kunnen verkrijgen en deel te kunnen nemen aan het mondeling examen.
2) De student wordt geacht actief deel te nemen aan de verplichte organisatie- en werkvormen die interactie vereisen, met name de excursie, het groepswerk en de presentatie van de opdracht tijdens het mondeling examen.
3) De student moet op bepaalde deelevaluaties (zoals de schriftelijke evaluatie tijdens de onderwijsperiode en het mondeling examen) een minimumscore behalen (≥ 10/20) om te kunnen slagen voor het opleidingsonderdeel.
4) De student is verplicht om, wanneer hierom wordt gevraagd, een peerevaluatie in te vullen via het programma ‘Buddycheck’ op Blackboard.
|
|
|
|
| Gevolg | 1+2) Het niet of laattijdig indienen van de groepsopdracht en/of ongewettigde afwezigheid bij verplichte onderwijsactiviteiten met name de excursie, het groepswerk en de presentatie kan leiden tot een 0 voor de specifieke deelevaluatie.
Gewettigde afwezigheid wordt tijdig gemeld door de student met de nodige stukken. Indien mogelijk, wordt een vervangopdracht opgelegd.
3) Wanneer de student op een deel van dit opleidingsonderdeel (de schriftelijke evaluatie tijdens de onderwijsperiode en het mondeling examen) minder dan 10/20 behaalt, wordt dit laagste deelcijfer het eindcijfer van het volledige opleidingsonderdeel voor de betreffende examenkans.
4) Bij het groepswerk wordt voldoende inbreng van elke student verwacht. De peerevaluatie gebeurt via het Buddycheck programma op Blackboard. De factor die door het programma wordt berekend, wordt vermenigvuldigd met de score van het groepswerk voor iedere student. De berekeningswijze en het verloop van de peerevaluatie wordt verder uiteengezet in de studieleidraad/op Blackboard. Is er sprake van een mogelijk beduidend kleinere bijdrage, dan kan het opvolgproces inzake meeliftgedrag opgestart worden (zie ook OER art. 17.4). Bij actieve deelname aan groepswerk, kan de individuele score van de student variëren op basis van de presentatievaardigheden, de procesevaluatie en de kwaliteit van het beantwoorden van de vragen.
Het niet of niet tijdig invullen van de peerevaluatie via het platform ‘Buddycheck’ leidt tot een aftrek van één punt op het deelcijfer op 20 voor de opdracht van het groepswerk.
|
|
|
|
| Extra info | De casestudy is een groepsopdracht in een groep met een maximum grootte van 5 personen.
Het mondeling examen bestaat uit de presentatie van de groepsopdracht. De presentatie is een toelichting op de casestudy. Ook dit wordt per groep gegeven. Tijdens de presentatie worden kritische vragen gesteld om te toetsen of de student de stof voldoende begrijpt. |
|
Tweede examenkans
| Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans | |
|
| Toelichting evaluatievorm | De student dient alle deelevaluatie(s) (zoals de schriftelijke evaluatie tijdens de onderwijsperiode, en/of het mondeling examen) waarop hij/zij minder dan 10 op 20 behaalde te hernemen in 2de zit.
In de tweede zittijd wordt de score van de procesevaluatie overgenomen uit de eerste zittijd, ook wanneer het om een onvoldoende gaat.
In geval van een onvoldoende resultaat (minder dan 10/20) kan de student gevraagd worden een herwerkte of individuele versie van de oorspronkelijke groepsopdracht in te dienen.
Indien de student een tweede examenkans heeft, is het de verantwoordelijkheid van de student om tijdig contact op te nemen met de docent indien het onduidelijk is welke deelevaluatie(s) de student moet afleggen in tweede kans.
|
|
|
|
|
Eindcompetenties | EC = eindcompetenties DC = deelcompetenties BC = beoordelingscriteria |
bachelor in de mobiliteitswetenschappen
|
- EC
| EC1: De afgestudeerde bouwt zelfstandig, zelfsturend en kritisch kennis op. De afgestudeerde is in staat de eigen leerprocessen te plannen, te bewaken, te sturen en te evalueren en zorg te dragen voor eigen (kwaliteits-) controle. | | | - DC
| DC1: De student is in staat om (in groep) de vereiste opdrachten te organiseren en uit te voeren binnen de voorziene tijdsperiode. De docent biedt richtlijnen en kaders die de student hierbij helpen. | | | - DC
| DC2: De student kan een groepsplanning opstellen m.b.t. de studieinzet en deze bewaken en waar nodig bij sturen in functie van de voortgang. Gedurende het groepswerk is er afstemming en overleg met medestudenten waarmee de student samenwerkt. | - EC
| EC2: De afgestudeerde heeft een gedegen kennis en inzicht in de concepten, methodes, en (onderzoeks)technieken van de mobiliteitswetenschappen en past deze adequaat toe. | | | - DC
| DC1: De student kan op een zelfstandige wijze (anderstalige) vakliteratuur opzoeken, beoordelen en samenvatten i.f.v. de kennis die nodig is. | | | - DC
| DC2: De student kan informatie m.b.t. het eigen vakgebied kritisch beoordelen en synthetiseren. | | | - DC
| DC3: De student kan een document verwerken, kritisch evalueren en in verband brengen met zowel de gedoceerde cursus als beleidsrelevante toepassingen. | | | - DC
| DC6: De student kan de belangrijkste theoretische denkkaders toepassen in de praktijk. | - EC
| EC3: De afgestudeerde is in staat om op basis van verworven kennis en inzicht te komen tot duurzame oplossingen voor complexe mobiliteitsvraagstukken. Daarnaast benadert de bachelor mobiliteitsproblemen vanuit het ruimere systeem door verbanden te leggen binnen het domein van mobiliteit en in relatie tot andere disciplines. | | | - DC
| DC1: De student heeft zicht op het bredere interdisciplinaire kader waarin mobiliteitswetenschappen zich situeert. | | | - DC
| DC2: De student kan de samenhang tussen het vakgebied van mobiliteitswetenschappen en aanverwante disciplines aantonen. | - EC
| EC4: De afgestudeerde beschouwt de maatschappij inclusief alle belanghebbenden als belangrijke stakeholder en denkt kritisch na over de maatschappelijke relevantie en consequenties van adviezen en opdrachten. | | | - DC
| DC2: De student kan naast de maatschappij ook de andere stakeholders (belanghebbenden) en hun specifieke belangen identificeren. | | | - DC
| DC3: De student kan beredeneren en beschrijven welke invloed stakeholders mogelijk zullen ervaren van een advies en kan hierover een standpunt innemen en dit beargumenteren. | - EC
| EC5: De afgestudeerde wordt bewustgemaakt van en heeft inzicht in het regionale en internationale beleidskader, de gelijkenissen en verschillen inzake mobiliteitsbeleid. De bachelor wordt gestimuleerd om contacten te leggen met diverse (inter)nationale gesprekspartners inzake mobiliteit. | | | - DC
| DC2: De student onderzoekt welke onderdelen van een (inter)nationaal beleidskader op een bepaalde regio toepasbaar zijn. | - EC
| EC6: De afgestudeerde is in staat om te communiceren - zowel schriftelijk als mondeling - over zijn vakgebied met wetenschappers uit het eigen of aangrenzende vakgebieden en met brede maatschappelijke groeperingen. | | | - DC
| DC1: De student is in staat om op een professionele manier schriftelijk te communiceren. | | | - DC
| DC2: De student is in staat om op een professionele manier mondeling te communiceren. | | | - DC
| DC3: De student communiceert gepast met brede maatschappelijke groeperingen (zoals bewoners, overheden, handelaars). | - EC
| EC7: De afgestudeerde is in staat om constructief en coöperatief in teamverband naar oplossingen toe te werken. | | | - DC
| DC1: De student staat open voor het gedachtegoed van anderen. | | | - DC
| DC3: De student werkt actief mee in de groepsdynamische processen. | | | - DC
| DC5: De student kan in teamverband communiceren met verschillende stakeholders. |
|
|
|
|
| Plaats in het onderwijsaanbod | Tolerantie3 |
|
3de bachelor jaar in de mobiliteitswetenschappen
|
J
|
|
|
1 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2. |
| 2 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3. |
3 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.
|
|
|