Masterproef / Bouwkunde (2355) |
| Studiepunten: 6,0 | | Studiebelastingsuren: 162 | Periode: semester 2 (6sp)  |
| Onderwijstaal: Nederlands | | Examencontract: niet mogelijk |
|
|
Verplichte volgtijdelijkheid op niveau van de opleidingsonderdelen
|
| |
| |
|
Groep 1 |
| |
| |
Volgende opleidingsonderdelen dient u ook opgenomen te hebben in uw studieprogramma in een voorgaande onderwijsperiode.
|
| |
|
Ontwerpen 4 (4762)
|
20.0 stptn | |
| |
|
Of groep 2 |
| |
| |
Volgende opleidingsonderdelen dient u ook opgenomen te hebben in uw studieprogramma in een voorgaande onderwijsperiode.
|
| |
|
Ontwerpen 4B (3919)
|
10.0 stptn | |
| |
|
|
Adviserende volgtijdelijkheid op niveau van de opleidingsonderdelen
|
| |
|
Advies
Als je Masterproef / Bouwkunde in je studietraject opneemt, raden we je sterk aan dit samen op te nemen met Masterproef / Project en Masterproef / Scriptie (samen = in je studieprogramma van hetzelfde academiejaar)
|
|
|
|
|
|
|
|
Het afstudeerproject moet naast het architectonische en stedenbouwkundige ook op bouwkundig, constructief, duurzaamheids-, comfort- en installatietechnisch vlak doordacht en correct ontworpen zijn. In het opleidingsonderdeel "Masterproef / Bouwkunde" komen deze laatste onderdelen aan bod.
De student zal de geziene leerstof van voorgaande jaren moeten toepassen op zijn masterproject en zal hierbij tevens beroep kunnen doen op de nodige begeleiding. Centraal daarbij staat een goed doordacht geïntegreerd bouwconcept hetgeen alle aspecten van de bouw omvat (architectuur, gevels, structuur, functie, brand, akoestiek, materialen, energiegebruik, kwaliteit van het binnenmilieu, microklimaat, biodiversiteit, etc ...). Een geïntegreerd bouwconcept wordt gedefinieerd als een concept dat de drie overlappende deelaspecten omvat: het architectonische, het constructieve en het energetisch/milieutechnische (ecologische) bouwconcept verenigt in één coherent architecturaal concept. De student dient te kunnen aantonen dat hij deze competenties beheerst, kritisch en geïntegreerd kan toepassen in een ontwerpproces uitgaande van een levenscyclusbenadering, van bij de programmadefinitie, de eerste ontwerpschetsen tot de finale detaillering en de gebruiksfase.
Bij het uitwerken van het geïntegreerd bouwconcept als drager voor duurzame architectuur wordt speciaal aandacht besteed aan het gericht toepassen van de drie strategieën uit het SER-raamwerk: Sufficiency, Efficiency en Renewables/Circulariteit, waarbij de juiste prioriteiten worden gesteld binnen een holistische duurzaamheidsbenadering.
Enerzijds dienen kennis van stabiliteits-technische aspecten in de masterproef geïntegreerd te worden op drie niveaus:
- Macro-niveau: Toegepast constructief systeem (skeletbouw, massiefbouw, vormactief, vectoractief...)
- Meso-niveau: Krachtswerking in de structuur; lastendaling via vloerplaten, dakplaten, wanden, muren, de balken en kolommen naar de fundering (plaatfundering, zoolfundering, fundering op palen...)
- Micro-niveau: bouwtechnische details (knopen, verbindingen), belangrijk is dat hierbij aandacht besteed wordt aan het constructieve aspect. De student dient in staat te zijn architecturale, bouwfysische, stabiliteits-technische en constructieve aspecten te verenigen in maakbare details.
Anderzijds wordt de student geacht aspecten van integrale duurzaamheid, gebruikerswelzijn en technische installaties als uitgangspunt te nemen van zijn/haar afstudeerproject en dit op de verschillende schaalniveaus (buurt, gebouw, gebruiker):
- Afstemming van het bouwkundig en architecturaal concept op de duurzaamheidsstrategieën en de gepaste technische installaties in één integraal concept
- Analyse van de bestaande context: kansen en uitdagingen (Level 0)
- Kritische reflectie over het bouwprogramma en de noden vanuit een sufficiëntie perspectief: wat is nodig/voldoende?
- Voorstellen van de relevante strategieën als reactie op de bestaande context en de programma-analyse (Level 1)
- Optimalisatie van passieve en actieve maatregelen voor het voorzien van het gepaste comfort (Level 2)
- Integratie van Climate Responsive Design en Whole Life Cycle thinking doorheen heel het ontwerptraject
- Concepten en maatregelen om de totale milieu-impact van het gebouw over zijn volledige levenscyclus zo laag mogelijk te houden.
- De wijze waarop gebruikersaspecten en gebruikersbeleving/-welzijn worden meegenomen en hoe het totale integrale concept hierop is afgestemd
- Er wordt in eerste instantie een kwalitatieve (Level 1) en daar waar nodig en in overleg met de begeleider een kwantitatieve (ondersteunende berekeningen) (Level 2) onderbouwing uitgewerkt. Hiertoe worden geëigende tools en methodieken gebruikt die op voorhand doorgesproken worden met de docent.
- Presentatie van het integrale concept inclusief motivatie van keuzes en vastlegging van de beslismomenten in het ontwerpproces. Er wordt geëvalueerd op basis van realiteitszin, en haalbaarheid, volledigheid, diepgang en ambitieniveau, alsook op het afgelegde traject doorheen de consultatiemomenten.
- Continue kritische reflecties op masterproefniveau en ondersteund door academisch onderzoek onderbouwen het discours.
De masterproef wordt ondersteund door één op één en groepsconsults. Het proces is zeer belangrijk en wordt expliciet geëvalueerd.
|
|
| Verplicht studiemateriaal |
| |
aanvullend studiemateriaal wordt ter beschikking gesteld op Blackboard |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoorcollege ✔
|
|
|
|
|
|
|
|
Casestudy ✔
|
|
|
|
Seminarie ✔
|
|
|
|
Semester 2 (6,00sp)
| Evaluatievorm | |
|
| Andere evaluatievorm tijdens onderwijsperiode | 100 % |
|
| Andere: | Evaluatie van de geleverde inspanningen a.d.h.v. een facultatieve tussentijdse presentatie en een verplichte eindevaluatie en/of eindjury Masterproef Bouwkunde
|
|
|
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | Bij minstens 10/20 op het deel 'duurzaamheid en technische installaties'
of het deel 'draagstructuur' in de eerste examenkans kan de student er
voor opteren dit resultaat over te dragen naar de tweede examenkans |
|
|
|
|
|
|
|
| Evaluatievoorwaarden (deelname en/of slagen) | ✔ |
|
| Voorwaarden |
- Alle gebruik van AI dient uitgebreid gerapporteerd te worden en op voorhand doorgesproken te worden met de docent.
- Om te slagen voor het opleidingsonderdeel, moet minstens 8/20 voor elk van de 2 delen (nl. deel 'Draagstructuur' en deel 'Duurzaamheid en Technische Installaties') worden gehaald.
|
|
|
|
| Gevolg |
- Oneigenlijk gebruik van AI zal negatief in rekening worden genomen bij de eindevaluatie.
- Als voor 1 van de 2 delen deze minimumscore van 8/20 niet wordt behaald, wordt het laagste cijfer het eindcijfer voor de betreffende zittijd.
|
|
|
|
| Mogelijke externe locatie | ✔ |
|
| Extra info | De student stelt een logboek op met de door hem/haar onderzochte items met betrekking tot de bouwtechnische aspecten van het afstudeerproject. Dit kan onder andere bestaan uit volgende zaken: artikels, berekeningen, technische fiches, verslagen van bezoeken, ... |
|
Tweede examenkans
| Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans | |
|
|
Eindcompetenties | EC = eindcompetenties DC = deelcompetenties BC = beoordelingscriteria |
master in de architectuur
|
- EC
| De student heeft kennis over en inzicht in de procedurele, juridische, deontologische en economische aspecten van architectuur en stedenbouw. | - EC
| De student heeft kennis over materialen, constructieve samenhang, comfort, berekenings- en simulatiemethodes en uitvoeringswijzen en kan deze kennis doordacht en innoverend inzetten en verantwoorden in het ontwerp en ontwerpproces. | - EC
| De student kan de eigen ontwerppraktijk en ontwerpmethodes onderzoeken, evalueren en verbeteren. | - EC
| De student kan een architecturaal concept, ontwerp, ontwerpproces en onderzoeksdata inzichtelijk maken, doelgericht communiceren en ruimtelijk visualiseren op basis van een grondige beheersing van de beeldende media, zowel handmatig als digitaal, en dit zowel voor een breed als voor een gespecialiseerd publiek. | - EC
| De student kan een persoonlijk concept uitwerken tot een ontwerp en dit communiceren als creatieve synthese. | - EC
| De student kan ontwerpen en onderzoeken met zin voor verbeelding, kunstzinnigheid, intuïtie en emotie en met ruimtelijke intelligentie, zonder hierbij de bouwtechnische, architectuurwetenschappelijke en menswetenschappelijke aspecten uit het oog te verliezen. | - EC
| De student kan projectmatig en resultaatgericht werken in een realistische omgeving met oog voor maatschappelijk verantwoord ondernemerschap. |
|
|
|
|
| Plaats in het onderwijsaanbod | Tolerantie3 |
|
2de masterjaar in de architectuur
|
J
|
|
|
1 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2. |
| 2 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3. |
3 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.
|
|
|