| Studiepunten: 6,0 | | Studiebelastingsuren: 162 | Periode: semester 2 (6sp)  |
| Onderwijstaal: Nederlands | | Examencontract: niet mogelijk |
|
|
De student bezit de basiskennis rond computerarchitectuur en threading.
|
|
|
|
|
Dit opleidingsonderdeel behandelt de basisprincipes van computernetwerken. Onder meer volgende onderwerpen komen aan bod:
- architectuur, ontwerpprincipes, algoritmiek en werking van computernetwerken;
- het hybride OSI-TCP/IP model voor computernetwerken en de principes van gelaagde netwerken, met specifieke focus op de TCP/IP protocolsuite;
- interpretatie van netwerktraces;
- implementatie van netwerk-applicaties.
Tijdens elk hoorcollege komt een (deel van een) hoofdstuk uit het handboek aan bod, waarbij de docent verwacht dat de studenten dit op voorhand hebben gelezen. Er wordt voornamelijk ingegaan op de moeilijke onderwerpen en op de vragen van de studenten (en de prof). Van de studenten wordt dus zowel een degelijke voorbereiding als actieve participatie verwacht. De theorie wordt verder aan de praktijk getoetst door enerzijds analyses van netwerktraces (die telkens in het volgende hoorcollege worden besproken) en anderzijds programmeeropdrachten waarin zelf netwerksoftware wordt geschreven.
|
|
| Verplichte handboeken (boekhandel) |
| |
Computer Networking: A Top-Down Approach, J. Kurose and K. Ross, 8th Global Edition, Pearson, ISBN 9781292405469 |
|
 
|
| Verplicht studiemateriaal |
| |
Slides van de hoorcolleges.
|
|
 
|
| Verplichte software |
|
|
|
Semester 2 (6,00sp)
| Evaluatievorm | |
|
| Andere evaluatievorm tijdens onderwijsperiode | 20 % |
|
| Andere: | Programmeeropdracht met mondelinge verdediging en reflectie |
|
|
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | Minstens 50% behalen op dit deel van de evaluatie. |
|
|
|
|
|
|
|
| Schriftelijk examen | 80 % |
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | Minstens 50% behalen op dit deel van de evaluatie. |
|
|
|
|
|
|
|
|
Tweede examenkans
| Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans | |
|
|
Eindcompetenties | EC = eindcompetenties DC = deelcompetenties BC = beoordelingscriteria |
bachelor in de fysica
|
- EC
| EC 3: De bachelor Fysica kan modellen en technieken uit de fysica en andere wetenschappelijke domeinen gebruiken voor het oplossen van multidisciplinaire problemen. | - EC
| EC 8: De bachelor Fysica kan zelfstandig en zelfsturend basiskennis verwerven in nieuwe domeinen. |
|
|
|
bachelor in de informatica
|
- EC
| De afgestudeerde bachelor beschikt over een breed referentiekader waardoor hij/zij de eigen kennis en vaardigheden van het vakgebied voortdurend kan actualiseren. | | | - DC
| De student heeft grondige kennis over belangrijke deelgebieden van de informatica: programmeertalen en -paradigma''s, computerarchitectuur, human computer interaction, data management, algoritmen en datastructuren, software engineering, computernetwerken, logica, theoretische informatica, besturingssystemen en computer graphics. | | | - DC
| De student kan toepassingsgericht denken en handelen in informatica. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica hecht belang aan de technische kwaliteit van het geleverde eindproduct, werkt nauwgezet en systematisch en kan de hieraan verbonden specificaties correct naar software vertalen. | | | - DC
| De student kan nauwgezet werken aan opdrachten en projecten. | | | - DC
| De student kan gegeven specificaties (vereisten, software modellen, validatie criteria,...) respecteren. | | | - DC
| De student kan de gevolgen van eigen technische keuzes uitleggen. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica is in staat informatie uit vakliteratuur en onderzoek op wetenschappelijk verantwoorde wijze te verwerken. | | | - DC
| De student kan informatie uit vakliteratuur en wetenschappelijk onderzoek kritisch interpreteren. | | | - DC
| De student kan relevante informatie uit vakliteratuur en wetenschappelijk onderzoek gebruiken. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan een probleem uit de praktijk als informaticaprobleem modelleren en analyseren, de eigen creativiteit aanwenden om deelproblemen op te lossen en de gevonden oplossingen te combineren tot een oplossing voor het oorspronkelijke probleem. | | | - DC
| De student kan een informaticaprobleem analyseren door het op te splitsen in meer beheersbare deelproblemen. | | | - DC
| De student kan de eigen creativiteit aanwenden om een matig complex informaticaprobleem op te lossen en deze oplossing te beschrijven. | | | - DC
| De student kan oplossingen van deelproblemen combineren tot een oplossing van het grotere probleem, en deze totaaloplossing beschrijven. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan mogelijkheden om een informaticaprobleem op te lossen en de tools die hiervoor beschikbaar zijn, vergelijken en afwegen op hun bruikbaarheid, correctheid en efficiëntie. | | | - DC
| De student kan oplossingsmogelijkheden voor een probleem beschrijven. | | | - DC
| De student kan een oplossing voor een probleem toepassen. | | | - DC
| De student kan oplossingsmogelijkheden voor een probleem vergelijken op voor- en nadelen, en een geschikte oplossingsmethode selecteren op basis van relevante criteria, zoals bruikbaarheid, correctheid en efficiëntie. | | | - DC
| De student kan geschikte technologie voor de implementatie van een oplossing selecteren en gebruiken. |
|
|
|
|
| Plaats in het onderwijsaanbod | Tolerantie3 |
|
3de bachelorjaar in de fysica optie vrije keuze aanvulling
|
J
|
|
3de bachelorjaar in de informatica
|
J
|
|
schakelprogramma informatica
|
J
|
|
|
1 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2. |
| 2 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3. |
3 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.
|
|
|