Inleiding tot Imperatief Programmeren (9712) |
| Studiepunten: 5,0 | | Studiebelastingsuren: 135 | Periode: kwartiel 1 (5sp)  |
| Onderwijstaal: Nederlands | | Examencontract: niet mogelijk |
|
|
|
Algemeen: Dit opleidingsonderdeel leert studenten imperatief programmeren aan de hand van de programmeertaal Python. We ontwikkelen een referentiekader dat het aanleren van imperatieve programmeertalen ondersteunt door voldoende aandacht te besteden aan computationeel denken en algemene concepten die gemeenschappelijk zijn aan de meeste imperatieve programmeertalen. Tegelijkertijd behandelen we de programmeertaal Python voldoende uitgebreid en diepgaand. We besteden tevens aandacht aan technische vaardigheden zoals het hanteren van een goede codestijl, documenteren van code, het gebruik van tools, en het debuggen en testen van code.
Dit opleidingsonderdeel vereist geen specifieke voorkennis en is in het bijzonder gericht op studenten die geen eerdere ervaring hebben met programmeren. Dit opleidingsonderdeel start de leerlijn programmeren en de opgedane kennis wordt verder uitgediept in de volgende opleidingsonderdelen: Objectgeoriënteerd programmeren, Verdieping Objectgeoriënteerd programmeren, Geavanceerde programmeertechnieken, en Software Engineering.
Deel 1: Een programma is niets meer dan een algoritme (een stappenplan) voor een probleemstelling dat rechtstreeks kan uitgevoerd worden door een computer. Programmeren combineert daarom twee verschillende vaardigheden: (a) het bedenken van het algoritme; en, (b) het uitvoerbaar maken van dit algoritme aan de hand van een programmeertaal. Voor het uitvoerbaar maken van algoritmen leggen we de focus op elementaire programmeerconcepten zoals instructies, data types, variabelen, operatoren, controle- en herhalingsstructuren, functies, lijsten, tuples, match predicaat, sets en dictionaries. We besteden aandacht aan het het denkproces dat voorafgaat aan het uitwerken van een algoritme. Hiervoor behandelen we vaardigheden uit computationeel denken en leggen we verbanden met technieken uit het opleidingsonderdeel Problem Solving. We bekijken ook het gebruik en de configuratie van een IDE en besteden aandacht aan codevisualisatie voor een diepgaander begrip van wat er gebeurt tijdens de uitvoering van code.
|
|
| Verplicht studiemateriaal |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoorcollege ✔
|
|
|
|
Zelfstudieopdracht (ZSO) ✔
|
|
|
|
Kwartiel 1 (5,00sp)
| Evaluatievorm | |
|
| Schriftelijke evaluatie tijdens onderwijsperiode | 30 % |
|
|
|
|
|
|
| Evaluatievoorwaarden (deelname en/of slagen) | ✔ |
|
| Voorwaarden | Om te kunnen slagen voor het opleidingsonderdeel, dient de student voor elke periode minstens 40% gescoord te hebben. Binnen deze onderwijsperiode, dient de student minstens 40% te behalen voor het examen. |
|
|
|
| Gevolg | Indien de student niet voldoet aan de voorwaarde, wordt de globale score voor het opleidingsonderdeel maximaal 8/20. |
|
|
|
Tweede examenkans
| Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans | |
|
| Toelichting evaluatievorm | De tweede examenkans bestaat uit een schriftelijk examen op 100% van de punten. |
|
|
|
|
Eindcompetenties | EC = eindcompetenties DC = deelcompetenties BC = beoordelingscriteria |
bachelor in de informatica
|
- EC
| De afgestudeerde bachelor beschikt over een breed referentiekader waardoor hij/zij de eigen kennis en vaardigheden van het vakgebied voortdurend kan actualiseren. | | | - DC
| De student heeft grondige kennis over belangrijke deelgebieden van de informatica: programmeertalen en -paradigma''s, computerarchitectuur, human computer interaction, data management, algoritmen en datastructuren, software engineering, computernetwerken, logica, theoretische informatica, besturingssystemen en computer graphics. | | | - DC
| De student begrijpt de samenhang tussen belangrijke deelgebieden van de informatica en kan de kennis daaruit combineren. | | | - DC
| De student kan toepassingsgericht denken en handelen in informatica. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan het oplossen van problemen algoritmisch benaderen en is vertrouwd met diverse programmeerparadigma's, -technieken en -methoden. | | | - DC
| De student kan uitleggen wat een algoritme is en een algoritmische aanpak definiëren voor het oplossen van een probleem. | | | - DC
| De student begrijpt de principes van computationeel denken en kan deze toepassen bij het programmeren. | | | - DC
| De student kan algoritmen implementeren in een programma. | | | - DC
| De student begrijpt het belang van precieze syntaxis en semantiek van programmeertalen en kent het onderscheid tussen beide. | | | - DC
| De student kent de principes van diverse programmeerparadigma''s (zoals imperatief, object-georiënteerd en functioneel programmeren) en kan deze toepassen. | | | - DC
| De student kan software integreren vanuit verschillende bronnen (zoals softwarebibliotheken en frameworks). |
|
|
|
|
| Plaats in het onderwijsaanbod | Tolerantie3 |
|
1ste bachelorjaar in de informatica
|
J
|
|
Educatieve master in de wetenschappen en technologie - keuze voor vakdidactiek informatica
|
J
|
|
|
1 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2. |
| 2 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3. |
3 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.
|
|
|