Programmeren in C m.b.v. Problem Solving (9716) |
| Studiepunten: 5,0 | | Studiebelastingsuren: 135 | Periode: kwartiel 2 (5sp)  |
| Onderwijstaal: Nederlands | | Examencontract: niet mogelijk |
|
|
|
In dit opleidingsonderdeel zal de student actief bezig zijn met het oplossen van problemen, waarbij de nadruk ligt op problem solving processen waarvoor programmeerkennis noodzakelijk is. Meer bepaald worden in dit opleidingsonderdeel een reeks concepten en (programmeer)vaardigheden behandeld in de context van imperatief programmeren m.b.v. de programmeertaal C. Het opleidingsonderdeel bouwt verder op de eerder opgedane kennis en vaardigheden met betrekking tot het oplossen van problemen, computationeel denken en coderen van oplossingen. Dankzij het referentiekader dat uitgebreid wordt in dit opleidingsonderdeel kan de student snel nieuwe programmeertalen leren (in het bijzonder de programmeertaal C++).
Een aantal van de behandelde onderwerpen (in een niet-bindende lijst):
- basisconcepten in C, zoals primitieve en user-defined datatypes, variabelen en constanten, operatoren, controle- en lusstructuren, functies; - de C Standard Library en documentatie, onder meer in de context van arrays, strings, dynamische geheugenallocatie en (file) I/O; - geheugenadressen, pointers (waaronder dubbele pointers en functiepointers), parameterbinding, stack en heap; - dynamische datastructuren, waaronder meerdimensionale arrays, gelinkte lijsten en boomstructuren; - gestructureerde manieren om (modulaire) oplossingen uit te werken; - toepassing van algemene problem solving vaardigheden tijdens het uitwerken van C implementaties voor gegeven problemen.
|
|
| Verplicht studiemateriaal |
| |
Studiemateriaal wordt in de vorm van slides en een inleidende cursustekst op BB ter beschikking gesteld. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Hoorcollege ✔
|
|
|
|
Responsiecollege ✔
|
|
|
|
Zelfstudieopdracht (ZSO) ✔
|
|
|
|
Kwartiel 2 (5,00sp)
| Evaluatievorm | |
|
| Schriftelijke evaluatie tijdens onderwijsperiode | 10 % |
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | Het cijfer wordt integraal overgenomen. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Mondelinge evaluatie tijdens onderwijsperiode | 10 % |
|
| Behoud van deelcijfer in academiejaar | Ja, met voorwaarde |
|
| Voorwaarde behoud van deelcijfer in academiejaar | Het cijfer wordt integraal overgenomen. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| Evaluatievoorwaarden (deelname en/of slagen) | ✔ |
|
| Voorwaarden | Om te kunnen slagen voor het opleidingsonderdeel, dient de student minstens 40% gescoord te hebben op het schriftelijk examen. |
|
|
|
| Gevolg | Indien de student niet voldoet aan de voorwaarde, wordt de globale score voor het opleidingsonderdeel maximaal 8/20. |
|
|
|
Tweede examenkans
| Evaluatievorm tweede examenkans verschillend van eerste examenkans | |
|
| Toelichting evaluatievorm | De tweede examenkans bestaat enkel uit een schriftelijk examen op 80% van de punten. Het resultaat dat in de eerste examenkans behaald werd voor de permanente evaluatie (en dat meetelt voor 20% van de punten) blijft behouden in de tweede examenkans. |
|
|
|
|
Eindcompetenties | EC = eindcompetenties DC = deelcompetenties BC = beoordelingscriteria |
bachelor in de informatica
|
- EC
| De afgestudeerde bachelor beschikt over een breed referentiekader waardoor hij/zij de eigen kennis en vaardigheden van het vakgebied voortdurend kan actualiseren. | | | - DC
| De student heeft grondige kennis over belangrijke deelgebieden van de informatica: programmeertalen en -paradigma''s, computerarchitectuur, human computer interaction, data management, algoritmen en datastructuren, software engineering, computernetwerken, logica, theoretische informatica, besturingssystemen en computer graphics. | | | - DC
| De student kan denken en handelen vanuit de fundamenten van de informatica. | | | - DC
| De student kan kennis over de architectuur van software en hardware gebruiken om concrete problemen op te lossen. | | | - DC
| De student kan toepassingsgericht denken en handelen in informatica. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica hecht belang aan de technische kwaliteit van het geleverde eindproduct, werkt nauwgezet en systematisch en kan de hieraan verbonden specificaties correct naar software vertalen. | | | - DC
| De student kan nauwgezet werken aan opdrachten en projecten. | | | - DC
| De student kan fouten opsporen, analyseren en corrigeren, en de correctie valideren. | | | - DC
| De student kan verificatie en validatie uitvoeren op het eigen werk. | | | - DC
| De student kan de software engineering principes (nauwkeurigheid, formaliteit, scheiding van belangen, modulariteit, abstractie, bedacht zijn op wijzigingen, algemeenheid, incrementaliteit) uitleggen en toepassen op het eigen werk. | | | - DC
| De student kan gegeven specificaties (vereisten, software modellen, validatie criteria,...) respecteren. | | | - DC
| De student kan de gevolgen van eigen technische keuzes uitleggen. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan een probleem uit de praktijk als informaticaprobleem modelleren en analyseren, de eigen creativiteit aanwenden om deelproblemen op te lossen en de gevonden oplossingen te combineren tot een oplossing voor het oorspronkelijke probleem. | | | - DC
| De student kan een informaticaprobleem analyseren door het op te splitsen in meer beheersbare deelproblemen. | | | - DC
| De student kan oplossingen van deelproblemen combineren tot een oplossing van het grotere probleem, en deze totaaloplossing beschrijven. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan gefundeerd redeneren, abstraheren en formaliseren, gebruik makend van kennis van en inzicht in de wiskundige basis van de informatica. | | | - DC
| De student kan een correcte logische redenering opbouwen. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan het oplossen van problemen algoritmisch benaderen en is vertrouwd met diverse programmeerparadigma's, -technieken en -methoden. | | | - DC
| De student kan uitleggen wat een algoritme is en een algoritmische aanpak definiëren voor het oplossen van een probleem. | | | - DC
| De student begrijpt de principes van computationeel denken en kan deze toepassen bij het programmeren. | | | - DC
| De student kan algoritmen implementeren in een programma. | | | - DC
| De student kan diverse algoritmen interpreteren en vergelijken op basis van relevante criteria en met deze criteria rekening houden bij het implementeren van algoritmen. | | | - DC
| De student begrijpt het belang van precieze syntaxis en semantiek van programmeertalen en kent het onderscheid tussen beide. | | | - DC
| De student begrijpt het belang van documentatie en kan code documenteren. | - EC
| De afgestudeerde bachelor informatica kan mogelijkheden om een informaticaprobleem op te lossen en de tools die hiervoor beschikbaar zijn, vergelijken en afwegen op hun bruikbaarheid, correctheid en efficiëntie. | | | - DC
| De student kan oplossingsmogelijkheden voor een probleem beschrijven. | | | - DC
| De student kan een oplossing voor een probleem toepassen. | | | - DC
| De student kan oplossingsmogelijkheden voor een probleem vergelijken op voor- en nadelen, en een geschikte oplossingsmethode selecteren op basis van relevante criteria, zoals bruikbaarheid, correctheid en efficiëntie. |
|
|
|
|
| Plaats in het onderwijsaanbod | Tolerantie3 |
|
1ste bachelorjaar in de informatica
|
J
|
|
|
1 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 12.2, lid 2. |
| 2 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 15.1, lid 3. |
3 Onderwijs-, examen- en rechtspositieregeling art. 16.9, lid 2.
|
|
|